Skip to Main Content
It looks like you're using Internet Explorer 11 or older. This website works best with modern browsers such as the latest versions of Chrome, Firefox, Safari, and Edge. If you continue with this browser, you may see unexpected results.

Bewegingswetenschappen - Onderzoeksvaardigheden - Intermediate: Literatuuronderzoek beginnen

In deze training academische vaardigheden leer je je informatiebehoefte bepalen, bronnen te vinden en beoordelen en informatie te verwerken.

Hoe begin ik met een literatuuronderzoek?

1 Doel, tijdsduur en voorkennis

Doel
Om de juiste literatuur te vinden is het belangrijk dat je weet WAT je wilt zoeken en WAAR je de literatuur moet zoeken. Zo kun je gericht zoeken en dat bespaart tijd. Door middel van een 5-stappenplan weet je aan het eind van deze module:
- hoe je je onderwerp kunt bepalen
- hoe je een probleemstelling formuleert
- wat sleutelbegrippen in een probleemstelling zijn
- hoe je gerelateerde termen van sleutelbegrippen vindt
- welke bronnen bij je probleemstelling horen.


Tijdsduur
Deze module duurt ca. 15 minuten.

Voorkennis
Voor deze module is geen specifieke voorkennis vereist.

2 Wat is mijn onderwerp?

Misschien heb je zelf al een onderwerp bedacht of heeft een docent een onderwerp aangereikt, maar als je nog geen onderwerp hebt gevonden kun je op verschillende manieren ideeën opdoen. Je kunt:

  • een handboek op je vakgebied naslaan
  • vakbladen doorkijken
  • in kranten zoeken naar actuele onderwerpen
  • globaal zoeken, ook wel de quick and dirty methode genoemd, in elektronische bestanden of op het internet.

Aan de hand van een onderwerp kun je vervolgens een probleemstelling bedenken.

3 Hoe formuleer ik een probleemstelling?

Voordat je begint met zoeken naar literatuur is het belangrijk om jezelf de vraag te stellen: wat wil ik precies weten? Een goede probleemstelling scheelt veel werk achteraf, doordat je gericht gaat zoeken naar literatuur.
Je wilt bijvoorbeeld weten hoe belangrijk het geld is dat migranten naar hun thuisland sturen voor de economie van dat land. Dit is een vrij breed onderwerp.

  • Welke migranten bedoel je: Cubanen, Marokkanen, Chinezen?
  • Over welk thuisland heb je het: Nederland, Gambia, VS of Marokko?
  • Over welke tijd gaat het: de jaren zeventig of 2015?
  • etc.

Een goede probleemstelling geeft daarom antwoord op vragen als wie, wat, waar, wanneer, hoe en waartoe.

Bijvoorbeeld:

Vraag Antwoord
Wie? Marokkaanse migranten
Wat? Gevolgen van het sturen van geld naar de familie voor de werkgelegenheid
Waar? Marokko
Wanneer? Jaren zeventig
Waartoe dient het werkstuk? Om na te gaan hoe belangrijk het geld was dat Marokkaanse migranten naar familie overmaakten voor de werkgelegenheid in Marokko.


De probleemstelling is na het beantwoorden van deze vragen specifieker geworden:

Hoe belangrijk was het geld dat Marokkaanse migranten in de jaren zeventig naar hun familie overmaakten voor de werkgelegenheid in Marokko?

Aan de hand van de probleemstelling kun je de sleutelbegrippen formuleren.

4 Wat zijn de sleutelbegrippen in een probleemstelling?

De sleutelbegrippen vormen de kernbegrippen in de probleemstelling. Dit zijn de belangrijkste begrippen in de probleemstelling. In onderstaande probleemstelling zijn de sleutelbegrippen aangegeven:
 
Hoe belangrijk was het geld, dat Marokkaanse migranten in de jaren zeventig naar hun familie overmaakten, voor de werkgelegenheid in Marokko?

Sleutelbegrippen kun je als zoektermen gebruiken om te zoeken naar literatuurverwijzingen in elektronische bestanden of op het internet.

5 Op welke woorden ga ik zoeken?

Je weet nu wat de sleutelbegrippen zijn in je probleemstelling. Je zou deze begrippen als zoektermen kunnen gebruiken op internet of in elektronische bestanden (e-resources). Maar je vindt meer relevante literatuur door per sleutelbegrip synoniemen of andere gerelateerde termen te bedenken. Dit komt omdat bijvoorbeeld het begrip "inkomsten" meer literatuurverwijzingen kan opleveren dan het begrip "geld" in een elektronisch bestand. Per elektronisch bestand kan het dus verschillen welke zoekterm het beste werkt.

Gerelateerde termen zijn te vinden in bijvoorbeeld: woordenboeken, encyclopedieën, handboeken, indexen in catalogi etc.

Veel wetenschappelijke literatuur wordt in het Engels, Duits, Frans of Spaans geschreven. Dit is afhankelijk van de probleemstelling die je kiest. Synoniemen in een andere taal kunnen dus ook van belang zijn voor je onderzoek.

6 Welke informatiebronnen passen bij mijn onderzoek?

In de videobox vind je een video waarin Ben Peperkamp vertelt over de verschillende soorten bronnen die hij bij zijn onderzoek gebruikt.

Met het overzicht van sleutelbegrippen en gerelateerde termen kun je nu in verschillende bronnen gaan zoeken. Maar in welke bronnen begin je met zoeken? Het is daarom van belang na te denken over welke soort informatie je zoekt. Bijvoorbeeld: nieuws of statistische informatie.

Vaak bepaalt hierbij de probleemstelling de soort informatie die je nodig hebt voor je onderzoek.

Weet je welke soort informatie je nodig hebt, dan kun je nagaan welke informatiebron(nen) je nodig hebt.

Het onderstaande schema laat zien waar je welke informatiebronnen kunt vinden.
 

Soort informatie Informatiebron
Actuele informatie Krantenartikelen, nieuwssites
Oriëntatie op een onderwerp Studieboeken, populair wetenschappelijke boeken
Achtergrondinformatie Encyclopedieën, jaarboeken
Wetenschappelijke informatie Wetenschappelijke tijdschriftartikelen
Onderzoeksresultaten Rapporten
Theoretische verhandeling Studieboeken, monografieën
Wet- en regelgeving Juridische databases (Kluwer)
Statistische informatie CBS Statline, Eurostat
Bedrijfsinformatie Databases Datastream, Wharton, Amadeus, SDC Platinum
Geografische informatiesystemen Google maps, Google Earth, GeoPlaza


Sommige informatiebronnen bieden alleen de eerste kennismaking met de informatie die je nodig hebt. In een encyclopedie of handboek vind je een beknopte weergave over een onderwerp. Als je deze informatie in een paper gaat verwerken, heb je de originele bronnen nodig waarnaar in de handboeken en encyclopedieën wordt verwezen.

Scripties van andere studenten kun je ook beschouwen als een eerste kennismaking met een bepaald onderwerp of als een voorbeeld van hoe je een scriptie kunt schrijven. Gebruik scripties niet als belangrijke informatiebronnen voor je werkstuk. Scripties zijn publicaties van studenten en zullen niet zo diep op een onderwerp  ingaan als een onderzoek dat door een wetenschapper is uitgevoerd. In de bibliografie in de scriptie vind je de bronnen die de student gebruikt heeft om zijn scriptie te schrijven. Zoek deze bronnen op en controleer ze, neem ze niet klakkeloos over.

7 Mag ik Wikipedia gebruiken als informatiebron?

Wikipedia is een gratis internetencyclopedie die door iedereen bewerkt kan worden. Net als alle informatiebronnen waarvan de auteur onbekend is, zul je een tweede bron moeten raadplegen om de kwaliteit van de informatie te kunnen beoordelen. Bij de meeste artikelen op Wikipedia vind je aan het einde van de tekst de bronnen waar de informatie vandaan komt. Je zult deze originele bronnen voor je paper kunnen gebruiken. Als er geen bronnen worden genoemd, is het aan te raden om de tekst uit Wikipedia niet te gebruiken.

Ook andere bronnen van informatie waar geen naam van een auteur bijstaat, worden in de academische wereld niet als informatiebron geaccepteerd. Denk hierbij aan een folder met informatie of een website van een organisatie. Probeer zoveel mogelijk wetenschappelijke publicaties te gebruiken. Ze zullen door de docenten zeker geaccepteerd worden.

8 Samenvatting

Kort samengevat bestaat de voorbereiding van een literatuuronderzoek uit vijf stappen:
 
1 Bedenk een onderwerp Kijk vakbladen door, sla handboeken na, etc.
2 Formuleer een probleemstelling Probeer de probleemstelling zo specifiek mogelijk te maken door het stellen van vragen als: wie, wat, waar, wanneer, hoe en waartoe?
3 Selecteer de sleutelbegrippen
4 Bedenk synoniemen/andere gerelateerde termen In woordenboeken, encyclopedieën, handboeken etc.
Vraag je docent.
5 Zoek de geschikte informatiebronnen Welke informatiebronnen passen bij de probleemstelling?